Hier, waar de opkomst van Phoebus met vlammenvuur India opwarmt,
lag ooit tussen klippen en bergen en ruige, verwilderde rotsen,
het rijk der Pygmeeën. Hier bloeide de roemrijke faam der Pygmeeën,
zoals men ook nu nog vertelt, aan de uiterste zoom van het Oosten. 20
En hier werd het land van de Ganges (ah gunden de goden het nu maar!)
bewoond door een grote bevolking en rezen er steden de lucht in
en burchten met machtige muren, door oorlog legende geworden.
Maar waar zijn die grootse restanten van helden gebleven? Nu liggen
de vlaktes hier stil en verwaarloosd, de torens volledig verbrokkeld.
Vandaag is de stam van Pygmeeën verdwenen en als nu toevallig
een reiziger op zijn mistroostige route de hinderende rotsen,
het akkerland ruig van de struiken en het akelige strand zou passeren,
dan vindt hij het allemaal doods en verlaten: de woonhuizen liggen
in puin en de daken vernietigd, het groen overwoekert gebouwen, 30
tot ver in de omtrek blinken de dalen door blanke skeletjes.
De kraanvogels vestigden daar na hun zege te midden een grafveld
hun walgelijke woonplaats, verheugd om hun eigen vervloekte triomfen.
Hic, ubi nascentis Phoebi tepet India flammis,
Praeruptos inter montes et inhospita saxa
Pygmaeum quondam imperium, Pygmaea vigebat
Gloria – nunc etiam extremis narratur Eois. 20
Hic (sinerent utinam superi !) Gangetica magno
Terra colebatur populo, famosaque bellis
Oppida et immensis surgebant moenibus arces.
Sed quo tanta abiere virum monumenta? Silentes
Nunc squalent campi, cecidere a culmine turres…
Gens Pygmaea fuit… Si forte obstantia saxa
Horrentesque agros dumis litusque sinistrum,
Triste viator iter superaverit, omnia muta,
Omnia desolata videt. Deformia lapsis
Tecta iacent muris ; desertos foeda penates 30
Herba tegit ; sparsis valles late ossibus albent.
Illic infestam mediam inter funera sedem
Victrices posuere grues gaudentque triumphis
Infandis miserique insultant manibus hostis.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd