Jacopo Sannazaro, Van nimfen tot wilgen (1526)

Dus waren de nimfen, verstoken van aandacht of van hulp van de goden,	
uitzinnig en razend, ze haatten de hemel, ze haatten het daglicht
en wensten het enige wat hen nog restte in hun hopeloze toestand:
het einde. Ze stonden al helemaal klaar de rivier in te duiken,
ze bogen hun lichaam voorover en neigden hun hoofden naar het water ... 
toen plotseling hun voeten verstijfden en overal rondom hun tenen	   100
een welig woekerende wortel hun vluchtende voeten afremde
en vast in de bodem verankerde. Diep in hun lichamen kwijnde
hun wankele ademtocht weg, een bleekheid sloop in hun gezichten
(die beter verdienden) en schors nam bezit van hun sidderende borsten.
Onmiddellijk kon je nu takken zien groeien in plaats van hun vingers		
en het goud van hun lokken door bladeren groen zien verkleuren:
de gloed van hun leven was overal verdwenen want beetje bij beetje
verstarden hun koude organen en weken terug voor de boomschors.
Hoewel ze in iedere hoek van hun lichaam onbuigzaam waren geworden,
hun hele gedaante langs buiten gehuld was in boomschors en takken	   110
en zij dus niet anders meer waren dan wilgen, bleef één gevoel over:
de goden van het bosland te mijden en, hecht in de zoom van de oever
geworteld, naar het middelste deel van de stroming voorover te buigen.
Ergo defectae cura, auxilioque deorum, 							  
Ac coelum pariter Nymphae, lucemque perosae,
Vnum illud, rebus tandem quod restat in arctis,
Finem optant, iamque in fluvium se mergere adortae
membra reclinabant, et aquas prono ore petebant
cum subito obriguere pedes; lateque per imos					        100
exspatiata ungues radix, fugientia tardat
adfigitque solo vestigia. Tum vagus ipsis
spiritus emoritur venis, indignaque pallor
occupat ora, tegit trepidantia pectora cortex.
Nec mora: pro digitis ramos exire videres, 						        
auratasque comas glauca canescere fronde,
et iam vitalis nusquam calor, ipsaque cedunt
viscera paullatim venienti frigida ligno.
Sed quamvis totos duratae corporis artus,
caudicibusque latus virgultisque undique septae‚						110
ac penitus Salices, sensus tamen unicus illis:
silvicolas vitare deos, et margine ripae
haerentes, medio procumbere fluminis alveo.