’t Was lente toen met milde adem in een gouden gloren
de pasgeboren ochtendstond de barre kou wegblies.
Een frisse bries was voorgegaan op ’t tweespan van Aurora
en bracht zo de belofte van een zwoele zomerdag.
Ik wandelde op haakse paden door besproeide tuinen, 5
verlangend mij te laven aan het volle morgenlicht.
Ik zag er hoe de rijp gestold hing aan gebogen halmen
of op de randen van de groenten stijf bevroren stond,
hoe slanke druppels dartelden op brede bloemkoolbladeren
en zwaarder werden door ’t gewicht van water uit de lucht. 10
Ik zag er rozenperken parelend stralen als in Paestum,
met dauwdruppels besprenkeld door de nieuwe dageraad,
er glom in de berijpte struiken hier en daar een parel
die weg zou smelten bij de eerste stralen van de zon.
De vraag was of Aurora ’t roze uit de rozen roofde 15
of dat dit nakend daglicht net de bloemen tinten gaf.
Ver erat et blando mordentia frigora sensu
spirabat croceo mane revecta dies.
Strictior Eoos praecesserat aura iugales,
aestiferum suadens anticipare diem.
Errabam riguis per quadrua compita in hortis, 5
maturo cupiens me vegetare die.
Vidi concretas per gramina flexa pruinas
pendere aut holerum stare cacuminibus,
caulibus et patulis teretes conludere guttas
et caelestis aquae pondere tunc gravidas. 10
Vidi Paestano gaudere rosaria cultu
exoriente novo roscida Lucifero.
Rara pruinosis canebat gemma frutectis
ad primi radios interitura die.
Ambigeres raperetne rosis Aurora ruborem 15
an daret et flores tingeret orta dies.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd