Ausonius (?), De geboorte van de rozen (4e eeuw n.C.)

’t Was lente toen met milde adem in een gouden gloren
	de pasgeboren ochtendstond de barre kou wegblies.
Een frisse bries was voorgegaan op ’t tweespan van Aurora
	en bracht zo de belofte van een zwoele zomerdag.
Ik wandelde op haakse paden door besproeide tuinen, 				5
	verlangend mij te laven aan het volle morgenlicht.	
Ik zag er hoe de rijp gestold hing aan gebogen halmen
	of op de randen van de groenten stijf bevroren stond,
hoe slanke druppels dartelden op brede bloemkoolbladeren
	en zwaarder werden door ’t gewicht van water uit de lucht. 		10
Ik zag er rozenperken parelend stralen als in Paestum,
	met dauwdruppels besprenkeld door de nieuwe dageraad,
er glom in de berijpte struiken hier en daar een parel
	die weg zou smelten bij de eerste stralen van de zon.
De vraag was of Aurora ’t roze uit de rozen roofde					15
	of dat dit nakend daglicht net de bloemen tinten gaf.
Ver erat et blando mordentia frigora sensu
	spirabat croceo mane revecta dies.
Strictior Eoos praecesserat aura iugales,
	aestiferum suadens anticipare diem.
Errabam riguis per quadrua compita in hortis,					    5
	maturo cupiens me vegetare die.
Vidi concretas per gramina flexa pruinas
	pendere aut holerum stare cacuminibus,
caulibus et patulis teretes conludere guttas
	et caelestis aquae pondere tunc gravidas.					  10
Vidi Paestano gaudere rosaria cultu
	exoriente novo roscida Lucifero.
Rara pruinosis canebat gemma frutectis
	ad primi radios interitura die.
Ambigeres raperetne rosis Aurora ruborem						   15
	an daret et flores tingeret orta dies.