Enea Silvio Piccolomini, Voor Cinthia XVI (ca. 1431-1435)

Hoe komt het toch dat wie ervaring heeft met foute liefde
	toch keer op keer opnieuw in altijd nieuwe strikken valt?
Een ezel die steeds struikelt en vervolgens in een kuil glijdt,
	wil toch weer tegen wil en dank hetzelfde pad opgaan.
Ik weet nochtans wat liefde is, ik kén de wrede vlammen,				5
	ik weet hoe liefde dodelijk doordrongen is van list.
En toch weer drijft diezelfde drift mij steevast richting rampspoed,
	nu ik mijn nek als vroeger weer moet buigen voor dat juk.
Alleen maar jij, mijn Cinthia, kan mij zo domineren,
	je leidt me en je sleept me met je oogjes waar je wil.				10
Ik ben volledig weerloos bij je wapens en je trucjes.
	Wil jij slechts met me spelen? Ik ben je speeltje met plezier!
Qui miserum totiens expertus iam sit amorem
	cur iterum laqueos incidit ille novos?
In foveam quotiens lapso pede fluxit asellus,
	invitus tales cogitur ire vias.
Ast ego quid sit amor, quid dura incendia novi					   5
	et quod mortifero sint in amore doli;
et tamen infelix iterum compellor eodem,
	cogor et antiquo subdere colla iugo.
Tantum sola potes in me, que sidere quo vis,
	Cinthia, me ducis, Cinthia, meque trahis.					  10
Stare tua haud contra possum vel tela vel artes
	et si me ludis, ludier usque iuvat.