Met Griekse haarband om het hoofd wiegt kroegbazin Syrisca
volleerd haar ronde billen op de castagnettenklank,
ze dartelt zat en sexy in haar rokerige herberg
en klapt de ruwe biezen ritmisch op haar ellenboog:
“Waarom zou je vermoeid van zomerzon en stof hier weggaan?
’t is leuker hier te liggen met een drankje op een bank.
Hier vind je tuintjes, perkjes, bekers, rozen, fluiten, citers
en koele paviljoentjes met een schaduwhaag van riet.
En, hoor: hier klinkt een landfluit op de tonen van de herders,
zoals die op de Maenalus in grotten kwelen kan. 10
Kijk, uit een kruik met pek besmeerd is wijn net aangesneden
en met een hees gemurmel klatert water in een beek.
Je vindt viooltjeskransen met een gele bloem doorweven,
een gouden tint vervlochten met een purperrode roos
en lelies die een waternimf bij maagdelijke wateren
geplukt heeft en in hecht gevlochten manden heeft gebracht.
Er zijn ook kaasjes die een biezen korf heeft laten drogen
en pruimen die gebleekt zijn op een dag in het herfstseizoen,
kastanjes ook en appeltjes die heerlijk rozig blozen,
het reine brood van Ceres, Amor, Bacchus vind je hier. 20
Er zijn zelfs moerbeivruchten en ook dikke trossen druiven,
de zeegroene komkommer hangt te bengelen aan zijn steel.
Er staat een wachter bij mijn stulp, met wilgenhouten sikkel,
maar hem moet je niet te vrezen, zelfs niet om zijn forse pik.
Kom hierheen, flatbewoner: je vermoeide ezel zweet al.
Ach, spaar het toch: een ezeltje is Vesta’s lieveling.
Nu breekt een vast cicadenlied luid tjirpend door de struiken
en zoekt de bonte hagedis zijn koele schuilplaats op.
Dus als je wijs bent, laat je door een zomers glas bespoelen
of brengen we je liever verse kelken van kristal? 30
Kom, leg je loom te rusten in de schaduw van de wijnrank
en vlecht een krans van rozen om je zwaar vermoeide hoofd.
Nip zoete zoentjes van de lipjes van een frêle meisje.
Ah, weg met wie als norse grijsaard bokkig fronsen wil.
Waarom een krans met geuren sparen voor een loze urne?
Of wil je dat een zerk met slingers jouw gebeente dekt?
Breng wijn en teerling, naar de hel met wie denkt aan de toekomst.
De dood trekt aan mijn oor en zegt: 'Leef voluit want ik kom!'"
Copa Surisca, caput Graeca redimita mitella,
crispum sub crotalo docta movere latus,
ebria fumosa saltat lasciva taberna
ad cubitum raucos excutiens calamos:
“Quid iuvat aestivo defessum pulvere abisse?
Quam potius bibulo decubuisse toro!
Sunt topia et calybae, cyathi, rosa, tibia, chordae,
et triclia umbrosis frigida harundinibus;
en et Maenalio quae garrit dulce sub antro
rustica pastoris fistula more sonat. 10
est et vappa cado nuper defusa picato,
est crepitans rauco murmure rivus aquae.
Sunt etiam croceo violae de flore corollae
sertaque purpurea lutea mixta rosa
et quae virgineo libata Achelois ab amne
lilia vimineis attulit in calathis.
sunt et caseoli, quos iuncea fiscina siccat,
sunt autumnali cerea pruna die
castaneaeque nuces et suave rubentia mala,
est hic munda Ceres, est Amor, est Bromius; 20
sunt et mora cruenta et lentis uva racemis,
et pendet iunco caeruleus cucumis.
Est tuguri custos armatus falce saligna,
sed non et vasto est inguine terribilis.
Huic calybita veni: lassus iam sudat asellus;
parce illi, Vestae delicium est asinus.
Nunc cantu crebro rumpunt arbusta cicadae,
nunc varia in gelida sede lacerta latet:
si sapis, aestivo recubans nunc prolue vitro,
seu vis crystalli ferre novos calices. 30
Hic age pampinea fessus requiesce sub umbra
et gravidum roseo necte caput strophio,
formosa tenerae decerpens ora puellae;
ah pereat cui sunt prisca supercilia!
Quid cineri ingrato servas bene olentia serta?
anne coronato vis lapide ossa tegi?
Pone merum et talos; pereat qui crastina curat:
Mors aurem vellens 'vivite' ait, 'venio'.”
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd