Propertius, Elegie II.8 (eerste eeuw v.C.)

Het meisje dat ik lang graag zag werd van mij afgenomen
	en nu vraag jij, mijn vriend, dat ik mijn liefdestranen droog?
Geen vijandschap zo bitter als een vijandschap in liefde:
	zelfs als je mij vermoordde zou ik minder vijand zijn.
Kan ik het aan om haar te zien in de armen van een ander?		
	En dat zij die de mijne was de mijne niet meer heet?
Ja, alles wisselt keer op keer en zeker in de liefde:
	je wint een keer, verliest dan weer, zo draait het liefdeswiel.
Zelfs grootse leiders, grootse heersers, gingen vaak ten onder
	en ooit stond Thebe overeind, rees Troje trots omhoog.     	   10
Hoe vaak gaf ik geschenken en schreef prachtige gedichten!
	Maar zij bleef koud als ijzer en zei nooit “En ik van jou.”

Ben ik dan te naïef geweest om jou zovele jaren
	te blijven ondersteunen, trut, jou en je hele huis?
Wanneer zag jij me niet als slaaf maar als een vrije burger?	
	Hoelang nog krijg ik grove taal in mijn gezicht gegooid?

Moet jij dan zo, Propertius, op jonge leeftijd doodgaan?
	Wel, kom, ga dood, want als je sterft dan doe je haar plezier!
Dan mag zij zelfs mijn kwelgeest zijn, mijn dode schim opjagen,
	of dansen op mijn brandstapel, ja, trappen op mijn as!         	   20
Stierf Haemon niet in Thebe in het graf van zijn geliefde
	Antigone, toen hij zich had doorboord met eigen zwaard?
En voegde hij zijn beenderen niet bij die van ‘t arme meisje,
	omdat hij zonder zijn Thebaanse niet naar huis wou gaan?

Maar jij zult niet ontkomen, neen, wij moeten samen sterven	
	en van éénzelfde zwaard druipt straks het bloed van jou en mij.
Jouw sterven zal voor mij dan wel een reden zijn tot schande,
	een sterven zonder eer wellicht, maar jij bent dan toch dood.
Achilles was een puinhoop toen zijn lief hem werd ontnomen,
	hij legde al zijn wapens tegen Troje lijdzaam neer.	          	   30
Hij zag de Grieken neergemaaid of vluchtend langs de stranden,
	zag Hector met zijn fakkel razen in het Griekse kamp,
hij zag Patroklos’ lijk verhakkeld liggen op de vlakte,
	zijn lokken door de slachtpartij verward en vol met bloed.
Dat alles onderging hij voor zijn lieflijke Briseïs,	
	want zo groot is ‘t verdriet als je geliefde wordt geroofd. 
Nadat hij zijn gevangene uiteindelijk terugkreeg,
	trok hij de grote Hector mee met zijn Thessalisch span. 
Dat ik, die níet zo’n moeder heb en zwakker ben met wapens,
	voor Amor door de knieën ga, is dus perfect normaal.        	   40
Eripitur nobis iam pridem cara puella:
	et tu me lacrimas fundere, amice, vetas?
nullae sunt inimicitiae nisi amoris acerbae:
	ipsum me iugula, lenior hostis ero.
Possum ego in alterius positam spectare lacerto?
	nec mea dicetur, quae modo dicta mea est?
Omnia vertuntur: certe vertuntur amores:
	vinceris aut vincis, haec in amore rota est.
Magni saepe duces, magni cecidere tyranni,
	et Thebae steterant altaque Troia fuit.						10
Munera quanta dedi vel qualia carmina feci!
	Illa tamen numquam ferrea dixit ‘Amo.’

Ergo iam multos nimium temerarius annos,
	improba, qui tulerim teque tuamque domum?
Ecquandone tibi liber sum visus? an usque
	in nostrum iacies verba superba caput?

Sic igitur prima moriere aetate, Properti?
	Sed morere; interitu gaudeat illa tuo!
Exagitet nostros Manis, sectetur et umbras,
	insultetque rogis, calcet et ossa mea!						20
Quid? non Antigonae tumulo Boeotius Haemon
	corruit ipse suo saucius ense latus,
et sua cum miserae permiscuit ossa puellae,
	qua sine Thebanam noluit ire domum?

Sed non effugies: mecum moriaris oportet;
	hoc eodem ferro stillet uterque cruor.
Quamvis ista mihi mors est inhonesta futura:
	mors inhonesta quidem, tu moriere tamen.
Ille etiam abrepta desertus coniuge Achilles
	cessare in tectis pertulit arma sua.							30
Viderat ille fuga, stratos in litore Achivos,
	fervere et Hectorea Dorica castra face;
viderat informem multa Patroclon harena
	porrectum et sparsas caede iacere comas,
omnia formosam propter Briseida passus:
	tantus in erepto saevit amore dolor.
At postquam sera captiva est reddita poena,
	fortem illum Haemoniis Hectora traxit equis.
inferior multo cum sim vel matre vel armis,
	mirum, si de me iure triumphat Amor?						40