Baptista ‘Spagnoli’ Mantuanus (1447-1516) kwam voort uit een Spaanse familie die zich had gevestigd in het Italiaanse Mantua. Na studies in zijn geboortestad en in Padua bouwde hij een succesvolle religieuze carrière uit bij de orde van de Karmelieten. Zijn hele leven door bleef Mantuanus daarnaast ook schrijven aan een omvangrijk Latijns oeuvre dat bestaat uit diverse prozawerken en meer dan 55 000 verzen. Zo publiceerde hij Parthenice Mariana (1481), drie boeken ter ere van de Maagd Maria; De Calamitatibus temporum (1489), drie immens populaire boeken over de rampen die het Italië van zijn dagen overkwamen; en de Alphonsus, over Alfonso van Aragon. Veruit Mantuanus’ invloedrijkste dichtwerk was echter zijn Adulescentia (1498), een collectie van tien eclogen waarin hij Vergiliaanse pastorale personages en thema’s combineerde met christelijke allegorie. Zijn herdersgedichten leverden hem de naam de ‘christelijke Vergilius’ op en werden nog eeuwenlang op school gelezen. Bijzonder populair was Mantuanus’ vierde ecloge, waarin de dichter zijn herdersfiguur Alphus een virulente diatribe laat afsteken tegen het vrouwengeslacht.
“Het vrouwelijk geslacht is slaafs, wreedaardig en hooghartig, 110
het kent geen wet, geen maat, geen rede en negeert de grenzen
van het recht. Het laaft zich aan extremen, laat haar keuzes leiden
door grillen; blijft lamlendig liggen of rent rond als furie.
Een vrouw is steeds als winter en een niet te harden koude,
ofwel teistert ze heel het land met hitte van de Hondsster.
Een vrouw is niet geïnteresseerd in matigheid of mildheid:
ofwel bemint ze passioneel of haat ze je bloeddorstig.
Bij droefheid treurt ze diep, haar blik wordt koud als steen en grimmig,
maar leeft ze daarna op en wil ze liefelijk overkomen,
dan wordt ze wulps, haar lust barst uit in sensuele lachjes, 120
haar liefelijke gelaat blaakt van een hoerige behaagzucht.
Ze weent en lacht, is slim en dwaas, is bang en dan weer dapper,
ze wil, wil niet, vecht met zichzelf en spreekt zichzelf steeds tegen.
Ze is labiel, humeurig, luimig, praatziek, ijdel, listig
en bazig, grimmig, wrokkig en bloeddorstig, vals en gierig,
roofzuchtig en afgunstig, lichtgelovig, leugenachtig,
vol ongeduld en ambetant, drankzuchtig, driest en bijtend,
eerzuchtig en lichtzinnig, heks en hoer en bijgelovig,
vraatzuchtig, lui, dol op geschrans, expert in lekkernijen,
wellustig en baldadig, geobsedeerd door decadentie, 130
bezeten door frivoliteit en zorgen om haar schoonheid.”
“Femineum servile genus, crudele, superbum, 110
lege, modo, ratione caret. Confinia recti
neglegit, extremis gaudet, facit omnia voto
praecipiti, vel lenta iacet vel concita currit;
femina semper hiems atque intractabile frigus,
aut Canis ardentes contristat sidere terras.
Temperiem numquam, numquam mediocria curat;
vel te ardenter amat vel te capitaliter odit.
Si gravis est, maeret torvo nimis hernica vultu;
si studeat comis fieri gravitate remissa,
fit levis, erumpit blando lascivia risu 120
et lepor in molli radiat meretricus ore.
Flet, ridet, sapit, insanit, formidat et audet,
vult, non vult, secumque sibi contraria pugnat,
mobilis, inconstans, vaga, garrula, vana, bilinguis,
imperiosa, minax, indignabunda, cruenta,
improba, avara, rapax, querula, invida, credula, mendax,
impatiens, onerosa, bibax, temeraria, mordax,
ambitiosa, levis, maga, lena, superstitiosa,
desidiosa, vorax, ganeae studiosa, palatum
docta, salax, petulans et dedita mollitiei, 130
dedita blanditiis, curandae dedita formae.”
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd