Vrouwelijke stemmen uit de oudheid zijn bijzonder zeldzaam, maar toch valt er hier en daar nog iets verrassends te vinden. Julia Balbilla (Ἰουλία Βαλβίλλα, 72-130 n.C.) was een prinses van het hellenistische vorstendom Kommagene in het huidige Turkije, maar groeide op in het huishouden van haar grootvader Antiochus IV in Rome. Vanaf 129 n.C. reisde Balbilla mee als hofdame in het gezelschap van keizer Hadrianus naar Egypte. Tijdens zijn rondreis bezocht de keizer onder meer de twee reusachtige ‘kolossen van Memnon’, waarvan één volgens Pausanias (ca. 115-180 n.C.) iedere zonsopgang een geluid liet horen. Naar aanleiding van Hadrianus’ bezoek aan deze attractie schreef Julia Balbilla vier archaïserende epigrammen, die als inscripties op de linkervoet van een van de beelden zijn achtergelaten. Het eerste van deze gedichten beschrijft hoe het beeld de grote keizer Hadrianus tot driemaal toe begroette en hem zo als een gunsteling van de goden vereeuwigde.
Julia Balbilla,
toen de verheven Hadrianus
Memnon hoorde praten.
Ik hoorde dat, als het beeld van Memnon in Egyptes Thebe
door zonnestralen opwarmt, het gaat spreken uit zijn steen.
Dus toen het beeld de wereldheerser Hadrianus waarnam,
zei hij hem nog voor zonsopgang zo goed als kon ‘gegroet!’
Maar toen de Zon zijn witte paarden door de hemel mende 5
en het tweede deel van het daglicht nog vast in een schaduw hield,
klonk weer de stem van Memnon als een dreun van bonzend bronswerk,
ja, met die harde klanken groette hij zelfs nóg een keer.
Ook keizer Hadrianus groette Memnon nu zelf hartelijk
en liet, zodat de mensen in toekomst het kunnen zien, 10
een opschrift achter dat vertelt van wat hij zag en hoorde,
dat hij geliefd is bij de goden is nu zonneklaar.
᾿Ιουλίας Βαλβίλλης,
ὅτε ἤκουσε τοῦ Μέμνονος
ὁ σεβαστὸς ῾Αδριανός.
Μέμνονα πυνθανόμαν Αἰγύπτιον, ἀλίω αὔγαι
αἰθόμενον, φώνην Θηβαίκω ‘πὺ λίθω.
᾿Αδρίανον δ’ ἐσίδων, τὸν παμβασίληα πρὶν αὐγὰς
ἀελίω χαίρην εἶπέ [v]οι ὠς δύνοτον.
Τίταν δ’ ὄττ’ ἐλάων λεύκοισι δι’ αἴθερος ἴπποις 5
ἐνὶ σκίαι ὠράων δεύτερον ἦχε μέτρον,
ὠς χάλκοιο τυπέντος ἴη Μέμνων πάλιν αὔδαν
ὀξύτονον· χαίρων καὶ τρίτον ἆχον ἴη.
κοίρανος ᾿Αδρίανος χ[ήρ]αις δ’ ἀσπάσσατο καὖτος
Μέμνονα, κἀν [στά]λαι καλλι[π]εν ὀψιγόνοις 10
γρόππατα σαμαίνο[ν]τά τ’ ὄσ’ εὔιδε κὤσσ’ ἐσάκουσε,
δᾶλον παῖσι δ’ ἔγε[ν]τ’ ὤς [F]ε φίλ[ε]ισι θέοι.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd