Vrouwelijke Griekse filosofen? Ze bestaan! Een van de interessantste figuren in dit gezelschap was Theano, die tijdens de oudheid als volgeling, maar ook als echtgenote of dochter van Pythagoras (zesde eeuw v.C.) werd gezien. De aforismen en brieven die op haar naam werden overgeleverd, zijn vermoedelijk echter pas vele eeuwen later geschreven, door auteurs van wie we de namen niet meer kunnen achterhalen. Theano wordt in deze teksten neergezet als een verstandige vrouw met autoriteit, mensenkennis en gevoel voor humor. In de ‘Brief aan Eurydike’ verklaart en vergoelijkt de filosofe mannelijke ontrouw op basis van fysiologische oorzaken en adviseert ze haar vriendin om in zo’n situaties geen jaloezie te koesteren.
Theano aan de wonderbaarlijke Eurydike.
Welk verdriet weegt er op je hart? Ben je dan werkelijk de wanhoop nabij, enkel maar omdat de man met wie je samenleeft naar een hetaere gaat en met haar zijn lichamelijke genot beleeft? Neen, zo hoef je er helemaal niet aan toe te zijn, jij wonderbaarlijkste onder de vrouwen! Begrijp je dan niet dat ook het gehoor, wanneer het zich laaft aan heerlijke orgelmuziek en door muzikale melodieën gevuld wordt, daarvan uiteindelijk verzadigd raakt en vervolgens gewoon verlangt naar wat fluitmuziek of graag eens luistert naar een simpele rietfluit? En toch: wat voor verwantschap is er tussen een fluit of snaarmuziek en de wonderbaarlijke weerklank van de honingzoete heerlijkheid van het orgel? Zo zit het ook, moet je denken, tussen jou en de hetaere met wie je man samenleeft. Je man respecteert jou namelijk omwille van wie je bent, om je karakter en om je verstand, maar als hij dan een soort van verzadiging heeft bereikt, zoekt hij even de omgang op met een hetaere. Er zijn nu eenmaal mensen met een hang naar minderwaardige voeding, zelfs als daarin sprake is van schadelijk sappen. Hou je goed!
Θεανὼ Εὐριδίκῃ τῇ θαυμασίᾳ.
Τίς λύπη κατέχει τὴν σὴν ψυχήν; Ἀθυμεῖς δὲ δι᾿ οὐδὲν ἄλλο ἢ ὅτι ᾧ συνοικεῖς ἐπὶ ἑταίραν ἥκει καὶ ταύτῃ τὴν ἡδονὴν λαμβάνει τοῦ σώματος. Ἀλλ᾿ οὐχ οὕτω σε δεῖ ἔχειν, ὦ θαυμασία τῶν γυναικῶν. Οὐχ ὁρᾷς γὰρ ὅτι καὶ ἀκοὴ ὁτὲ πλησθῇ ἡδονῆς ὀργάνου καὶ μουσικῆς μελῳδίας πληροῦται, ὁτὲ δέ, ἐὰν κόρος γένηται ταύτης, αὐλοῦ ἐρᾷ καὶ δόκανον ἀκροᾶται ἡδέως; Καίτοι ποία κοινωνία αὐλῷ καὶ χορδαῖς μουσικαῖς καὶ ἠχοῖ θαυμασίᾳ τῆς τοῦ ὀργάνου μελιχροτάτης ποιότητος; Οὕτω δὲ κἀπὶ σοῦ οἴου κἀπὶ τῆς ἑταίρας, ᾗ συνοικεῖ ὁ σὸς ἀνήρ. Σοῦ μὲν γὰρ σχέσει καὶ φύσει καὶ λόγῳ φροντιεῖ ὁ ἀνήρ, ὅτε δέ ποτε κόρον λήψεται, κατὰ πάροδον τῇ ἑταίρᾳ συνοικήσει. ῞Οτι καὶ οἷς χυμὸς φθοροποιὸς ἐναπόκειται, τῶν τροφῶν ἔρως ἐστί τις τῶν οὐκ ἀγαθῶν. Ἐρρωμένως διαβιῴης.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd