De grote Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) is ongetwijfeld een van de allerbeste Neolatijnse dichters. In zijn omvangrijke oeuvre bevindt zich ook een minder goed bekende collectie Tumuli, twee boeken grafgedichten voor echte en imaginaire overledenen. Het eerste boek bevat een aangrijpend gedicht (I.51) waarin de geest van het jonggestorven meisje Jelsemina de voorbijganger aanspreekt. De huwelijksgod Hymenaeus heeft Jelsemina intussen kennelijk een metamorfose laten ondergaan, want het meisje is veranderd in een bloem, misschien wel de gele jasmijn of Gelseminum sempervirens.
Mijn vriend, spaar de jasmijntjes, schend de schim niet van de dode,
want mocht je het niet weten: deze bloemen zijn gewijd.
Wat nu jasmijntjes zijn, was immers ooit een prachtig meisje
dat haar belofte niet inloste door haar ongeluk.
Ze had haar eerste omhelzing en haar allereerste kussen
en, Hymenaeus, zelfs haar prilste bloem aan u beloofd.
Maar Lachesis verbood het en haar ouders droegen droevig
het meisje met een wierookoffer naar haar droeve graf.
Haar hoofd was als een roosje en haar lippen als juwelen,
haar ogen als de wapens waarmee Amor oorlog voert. 10
Haar tedere borstjes - wat een zonde! - zijn nu al ontbonden:
zelfs Venus had wellicht zo’n boezem voor zichzelf gewild!
Maar Hymenaeus is haar liefdeseden niet vergeten
en heeft haar lichaam omgetoverd tot een frisse bloem.
In plaats van huid is schors gegroeid, in plaats van beenderen hechtte
een stam zich vast, uit vezels zijn weer vezeltjes ontstaan.
De rijke lokken die zij had zijn weelderig gebleven
en schenken nu als bladerdak hun schaduw aan een bos.
De blankheid van haar huid die ooit haar hele lichaam tooide
is nu een trotse fonkeling die schittert in de bloem. 20
Maar in dit nieuwe lichaam zijn haar geur en naam gebleven,
want dit is de beloning die het grootse meisje kreeg.
Ze heette Jelsemina, ook de bloem is zo gaan heten.
Dus, al wie liefheeft, spaar dit graf, heb eerbied voor dit bos.
Parce, hospes, violis, manes ne laede sepultos.
Si nescis, flores hi quoque numen habent.
Quae violae nunc sunt, fuit olim culta puella,
vota parum felix solvere quae nequiit.
Voverat amplexus primos atque oscula prima
et primos flores haec, Hymenaee, tibi.
Non passa est Lachesis. Miseri posuere parentes
in tumulo, et maestis thura dedere focis;
certarant quaeque ora rosis, quaeque oscula gemmis,
atque oculi, per quas bella parabat Amor, 10
tabuerant (immane nefas) tenuesque papillae,
scilicet optasset quas Cytherea sibi.
Tum memor ipse sibi votos Hymenaeus amores
transtulit in florem corpora versa novum.
Pro cute subriguit cortex, proque ossibus haesit
stipes et e fibris fibra renata sua est;
plurima quae fuerat nymphae coma, plurima mansit
et densum foliis praebet opaca nemus;
sparsus et in toto fuerat qui corpore candor,
nunc multo nivei floris honore nitet. 20
Mansit odor mansitque alio sub corpore nomen:
hoc voti pretium dia puella tulit.
Ielsemina fuit nomen; flos dictus ab illo est.
Quisquis amas, tumulo parce, nemusque cole.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd