Giovanni Pontano, Een bloem van een meisje (1502)

De grote Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) is ongetwijfeld een van de allerbeste Neolatijnse dichters. In zijn omvangrijke oeuvre bevindt zich ook een minder goed bekende collectie Tumuli, twee boeken grafgedichten voor echte en imaginaire overledenen. Het eerste boek bevat een aangrijpend gedicht (I.51) waarin de geest van het jonggestorven meisje Jelsemina de voorbijganger aanspreekt. De huwelijksgod Hymenaeus heeft Jelsemina intussen kennelijk een metamorfose laten ondergaan, want het meisje is veranderd in een bloem, misschien wel de gele jasmijn of Gelseminum sempervirens.
Mijn vriend, spaar de jasmijntjes, schend de schim niet van de dode,
want mocht je het niet weten: deze bloemen zijn gewijd.
Wat nu jasmijntjes zijn, was immers ooit een prachtig meisje
dat haar belofte niet inloste door haar ongeluk.
Ze had haar eerste omhelzing en haar allereerste kussen
en, Hymenaeus, zelfs haar prilste bloem aan u beloofd.
Maar Lachesis verbood het en haar ouders droegen droevig
het meisje met een wierookoffer naar haar droeve graf.
Haar hoofd was als een roosje en haar lippen als juwelen,
haar ogen als de wapens waarmee Amor oorlog voert. 10
Haar tedere borstjes - wat een zonde! - zijn nu al ontbonden:
zelfs Venus had wellicht zo’n boezem voor zichzelf gewild!
Maar Hymenaeus is haar liefdeseden niet vergeten
en heeft haar lichaam omgetoverd tot een frisse bloem.
In plaats van huid is schors gegroeid, in plaats van beenderen hechtte
een stam zich vast, uit vezels zijn weer vezeltjes ontstaan.
De rijke lokken die zij had zijn weelderig gebleven
en schenken nu als bladerdak hun schaduw aan een bos.
De blankheid van haar huid die ooit haar hele lichaam tooide
is nu een trotse fonkeling die schittert in de bloem. 20
Maar in dit nieuwe lichaam zijn haar geur en naam gebleven,
want dit is de beloning die het grootse meisje kreeg.
Ze heette Jelsemina, ook de bloem is zo gaan heten.
Dus, al wie liefheeft, spaar dit graf, heb eerbied voor dit bos.