In het British Museum wordt een fraaie marmeren grafstèle bewaard met een bijzonder epigram (CIL VI 29896) voor het overleden hondje Margarita ('Pareltje'). Het anonieme gedicht, wellicht geschreven in Rome tijdens de tweede of derde eeuw n.C., verwijst in het eerste vers naar een grafgedicht voor Vergilius, maar valt vooral op door de menselijke manier waarop het hondje vanuit het graf tot ons spreekt. Het is duidelijk dat Pareltje een bijzonder huisdier moet zijn geweest, geliefd en betreurd door haar ongetwijfeld aristocratische Romeinse baasjes.
Ik ben een telg van Gallië, een schelp uit het rijke zeediep
gaf mij mijn naam, een eretitel die mijn schoonheid past.
Ik rende dapper en volleerd door onbekende bossen,
of joeg op ruigbehaarde zwijnen in het heuvelland.
Nooit hoefde ik te wennen aan het gewicht van zware ketens, 5
of het striemen van de zweep te dulden op mijn blanke lijf:
ik soesde bij mijn meesteres op schoot of bij mijn meester
en dutte als ik moe was heerlijk op mijn bedje in.
Ik praatte vaker dan ik mocht met stomme hondenklanken,
maar niemand hoefde voor mijn blaffen werkelijk bang te zijn. 10
Een slecht verlopen worp van puppy’s kostte mij het leven,
de aarde dekt mij toe met deze kleine marmeren steen.
Pareltje
Gallia me genuit, nomen mihi divitis undae
concha dedit, formae nominis aptus honos.
docta per incertas audax discurrere silvas
collibus hirsutas atque agitare feras
non gravibus vinclis unquam consueta teneri 5
verbera nec niveo corpore saeva pati:
molli namque sinu domini dominaeque iacebam
et noram in strato lassa cubare toro.
et plus quam licuit muto canis ore loquebar:
nulli latratus pertimuere meos. 10
sed iam fata subii partu iactata sinistro
quam nunc sub parvo marmore terra tegit.
Margarita
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd