In de derde of vierde eeuw n.C. schreef de Egyptische dichter Triphiodoros een Grieks epyllion over de inname van Troje (Ἅλωσις Ἰλίου). Daarin beschrijft hij hoe de timmerman Epeios op raad van de godin Athena begint met de bouw van het beroemde 'paard van Troje'.
Hij zette vervolgens de hals van het paard op de knik van het borststuk
en gaf aan de manen een goudblonde kleur en purperen kwastjes.
Als een helmbos waren die golvende manen vanboven bevestigd
en wapperden neer van de top van het hoofd langs het welvende halsstuk.
Met flonkerende stenen plaatste Epeios ook twee ronde ogen:
smaragd voor een zeegroene kleur, amethist voor de bloedrode tinten. 70
Als de dubbele kleuren zich mengden vertoonden de fonkelende ogen
een glinsterende rozige gloed in gewarrel van zeegroene stenen.
In de kaken kerfde hij zilveren tanden die wérkelijk trachtten
om op de boord van de prachtig gevlochten breidel te bijten.
In de gigantische mondholte boorde hij heimelijke gangen
om aan de mannen vanbinnen de ademdoortocht te vrijwaren,
en jawel: door de neusgaten heen stroomde lucht om te leven.
Op het hoofd monteerde hij boven de slapen rechtopstaande oren,
altijd gespitst om de klank van de krijgsklaroen op te vangen.
De rug en de soepele wervels hechtte hij vast aan de flanken 80
en voegde de heupen aaneen met de rimpelloos glanzende billen.
De staart golfde losjes omlaag en slingerde tot aan de hoeven,
zoals een wijnstok door krullende ranken omlaag wordt gebogen.
De benen bewogen gezwind met de windsnelle, vinnige knieën
en leken wel klaar om zich in een gevleugelde wedloop te storten,
zozeer stonden ze strak. Hun aard echter dwong hen te blijven.
Onder de benen stonden er hoeven van luxueus bronswerk,
verankerd met zwierige ringen uit glimmende schildpaddenschilden:
ze raakten zelfs nauwelijks de grond met hun bronzen potige voeten.
Αὐχένα δὲ γλαφυροῖσιν ἐπὶ στήθεσσιν ἔπηξε
ξανθῷ πορφυρόπεζαν ἐπιρρήνας τρίχα χρυσῷ·
ἡ δ᾽ ἐπικυμαίνουσα μετήορος αὐχένι κυρτῷ
ἐκ κορυφῆς λοφόεντι κατεσφρηγίζετο δεσμῷ.
Ὀφθαλμοὺς δ᾽ ἐνέθηκε λιθώπεας ἐν δυσὶ κύκλοις
γλαυκῆς βηρύλλοιο καὶ αἱμαλέης ἀμεθύσσου· 70
τῶν δ᾽ ἐπιμισγομένων διδύμης ἀμαρύγματι χροιῆς
γλαυκῶν φοινίσσοντο λίθων ἑλίκεσσιν ὀπωπαί.
Ἀργυφέους δ᾽ ἐχάραξεν ἐπὶ γναθμοῖσιν ὀδόντας
ἄκρα δακεῖν σπεύδοντας ἐυστρέπτοιο χαλινοῦ·
καὶ στόματος μεγάλοιο λαθὼν ἀνέῳξε κελεύθους
ἀνδράσι κευθομένοισι παλίρροον ἄσθμα φυλάσσων,
καὶ διὰ μυκτήρων φυσίζοος ἔρρεεν ἀήρ.
Οὔατα δ᾽ ἀκροτάτοισιν ἐπὶ κροτάφοισιν ἄρηρεν
ὀρθὰ μάλ᾽, αἰὲν ἑτοῖμα μένειν σάλπιγγος ἀκουήν.
Νῶτα δ᾽ ὁμοῦ λαγόνεσσι συνήρμοσε καὶ ῥάχιν ὑγρήν, 80
ἰσχία δὲ γλουτοῖσιν ὀλισθηροῖσι συνῆψε.
Σύρετο δὲ πρυμνοῖσιν ἐπ᾽ ἴχνεσιν ἔκλυτος οὐρὴ
ἄμπελος ὣς γναμπτοῖσι καθελκομένη θυσάνοισιν.
Οἱ δὲ πόδες βαλιοῖσιν ἐπερχόμενοι γονάτεσσιν
ἄπτερον ὥς περ ἔμελλον ἐπὶ δρόμον ὁπλίζεσθαι,
οὕτως ἠπείγοντο· μένειν δ᾽ ἐκέλευεν ἀνάγκη.
Οὐ μὲν ὑπὸ κνήμῃσιν ἀχαλκέες ἔξεχον ὁπλαί,
μαρμαρέης δ᾽ ἑλίκεσσι κατεσφήκωντο χελώνης
ἁπτόμεναι πεδίοιο μόγις κρατερώνυχι χαλκῷ.
Vind-ik-leuk Aan het laden...
Gerelateerd